|
|
, welkom op AxelOnline.nl
Aanbevolen

www.drukpartner.nl
DrukPartner drukt meer dan alleen briefpapier, flyers, posters, visitekaartjes, menukaarten of brochures... |
|
|
|
|
|
|
|
|
MARKTEN |
|
Axel
Iedere zaterdag van 08.30 tot 16.00 uur
staat de grootste weekmarkt van
Zeeuws-Vlaanderen in het stadscentrum van
Axel.
Op de Markt, het Szydlowskiplein en in de
Noordstraat.
ZEEUWSVLAAMSEMARKTEN.NL |
|
|
Historie Axel
Axel heeft ruim 800 jaar geleden haar
stadsrechten gekregen en kent een grote historie.
Hieronder kunt u verschillende
onderwerpen lezen en bekijken uit de rijke historie van Axel.
De Stad Axel
Bronnen: de Hoge Raad van Adel te
's-Gravenhage / Over den Vier Ambachten (Uitgeverij Drukkerij Duerinck bv uit Kloosterzande), De Geschiedenis van Axel (Uitgeverij
J.Niemeijer uit Groningen), Zeeuwse Plaatsnamen (Uitgeverij ADZ uit
Vlissingen), Archief Stad Axel en Dingeman de Koning.
Het
stadje Axel (Gemaans agnos) wordt al in 991 in de archiefstukken
genoemd als Axla. De naam wordt wel verklaard als "eksterbosje" (agnu
= ekster en lauha = bosje), of als een samenstelling van akko met lo
in de betekenis van "bosje op een hoge zandgrond". Axel ligt
inderdaad op een zandrug van hoge ouderdom, waarin zelfs vondsten
zijn gedaan uit ca. 9000 voor Christus, op de grens van Midden- en
Jonge Steentijd. Andere woordverklaringen zijn ake-sele, zaal of
kasteel van Ake; aqua-sele, zaal of kasteel aan het water. In 1183 (volgens
sommige historici pas in 1213) gaf Philips van den Elzas, graaf van
Vlaanderen, aan Axel stedelijke rechten en was er sprake van een
stad. Axel lag in de Middeleeuwen in het gebied van de Vier
Ambachten: Hulst, Axel, Assenede en Boekhoute. Het waren vier
plattelandsdistricten, die in 1012 door de Duitse keizer Hendrik II
aan de Vlaamse graaf Boudewijn IV in leen werden gegeven en die
staatkundig één geheel vormden. Dat Axel in die tijd sterk
afhankelijk was van Vlaanderen blijkt wel uit het gemeentewapen, nl.
de leeuw hierin is afkomstig uit het stadswapen van Gent.
Axel
heeft vele rampjaren gekend. Een eerste verwoesting in 1248 door Jan
van Avesnes die met razende woede de Vier Ambachten binnen viel en
zonder genade het verwoestte, in brand stak en uitmoordde; ook het
stadje Axel werd hierbij niet gespaard. Op Sint-Jansnacht in 1295
verbrandde heel de stad, deze keer was het niet door geweld maar
door het midzomernachtfeest waarbij feestvuren werden ontstoken. In
1330 plunderden de Gentenaren de stad. Door een conflict in 1380
tussen graaf Lodewijk II van Male en de stad Gent werd de toevoer
van graan door de graaf van Holland naar deze stad verboden. Door
honger gedreven organiseerde Philips van Artevelde een bende van
meer dan 3000 "buytmaekers" die het platteland moesten afstropen
naar levensmiddelen. Ze sleepten daarbij ook veel vee en koren mee
naar het thuisfront. Door de terreur van de Gentenaren werd o.a.
Axel opnieuw verwoest in 1381. Een volgende verwoesting was in 1452,
toen Philips de Goede met zijn legerbende door Axel trok en er "eenen
asschen-hoop" van maakte. Dit was hoofdzakelijk uit woede omdat hij
werd tegengewerkt, vooral door de Gentenaren, bij het opleggen van
een zoutbelasting in Vlaanderen. Ook in Axel was er in die tijd een
bloeiende zoutnering, ongetwijfeld zal het buurtschap "de drie
Schouwen" zijn naam te danken hebben aan de drie zoutketens die aan
de zuidzijde van " 't kleyn Vaerdeken buyten deser stede" hebben
gelegen. Drie dagen voor Pinksteren in 1453 keerden pas de meeste
Axelaars terug naar de plaats waar eens hun huis had gestaan.
Nadat
zij hun stadje weer wat hadden opgeknapt en zelfs
weer een nieuw schepenhuis in gebruik hadden genomen en een markt
hadden aangelegd, is de stad in 1471 weer getroffen door een brand.
Ruim honderd jaar later, op 26
juli 1574, staken de Watergeuzen Axel ook nog maar eens in brand,
waarbij de stad geheel verschroeide. Tijdens deze laatste
verwoesting is ook het kasteel "het Hof van de Heren van Axel", dat
aan de Zuidsingel heeft gelegen, in rook opgegaan (zie 5 op de
linkse illustratie). In 1583 viel Axel ook nog in Spaanse handen
nadat zij de geuzen hadden verdreven, maar op 17 juli 1586
heroverden prins Maurits en Philip Sidney de stad voorgoed voor de
Staatsen.
Illustraties: Voormalig gemeentewapen,
de vesting van de Stad Axel anno 1747, Kaart van Axel rond 1500 en
de voormalige gemeentevlag.
Het ontstaan van
de Axelse markt
Bronnen: De Geschiedenis van Axel (Uitgeverij
J.Niemeijer uit Groningen), Archief Stad Axel en Dingeman de Koning.
Axel
is al heel vroeg een havenplaatsje geweest waar handelaars en
vissers hun goederen konden verhandelen. Ook werd er omstreeks de
dertiende eeuw al tol geheven door de heer Willem van Beveren, die
met zijn familie in West-Vlaanderen en in het Waasland vele
bezittingen had. Uit een Toltarief van september 1235 blijkt dat er
behoorlijk handel werd gedreven door kooplui op de markt in de Stad
Axel. In die Toltarieven, die bewaard zijn gebleven in de
stadsarchieven van Wenen (A) en Rijssel (F), kwamen de volgende
belangrijkste goederen voor: wol, kruiden, wijn, bier, turf, koren,
zout, vis, hout, koeien, paarden en varkens. Schapenhandelaars die
door of langs Axel trokken naar Hulst, Beoostenblide, Sint-Macharius
(tegenwoordig Hughersluys bij Driewegen) of naar Biervliet, waar
toen al met schepen handel werd gedreven op Londen (GB) en Hamburg
(D), ontkwamen niet aan het betalen van tol.
In de veertiende eeuw beheerde de heer van Kruiningen de tol in
Axel, maar omdat er wat moeilijkheden waren met de tolheffing met
vissers en handelaren uit het Hellegat, verkocht "de thoolnare van
axele’, Jan van Kruiningen, in 1440 de tolinning aan de heer Guido
van Axel senior. Toen Margaretha van Ghistele, dochter van Joost van
Ghistele de grote reiziger van Zuiddorpe, huwde met Jan van
Curtenbach, heer van Helmond, kreeg ze als erfdeel de oude tol van
de Stad Axel die nadien ook wel "de tol van Helmond" werd genoemd.
In de dertiende eeuw kende Axel, tussen enkele verwoestingen door,
een redelijke welvaart. Uit de kroniek van Axel en omgeving wordt in
een uittreksel, dat geschreven is door de Axelaar Jacob de Hont,
(1487-1525) die kapelaan, organist, priester en ook nog ontvanger
van de kerk van Axel is geweest, een vrij grote zeehaven omschreven,
die gelegen lag aan de Butdijk ten westen van Axel. In deze door de
natuur ontstane haven, niet ver van de grote markt, werden dagelijks
door Zeeuwsche en Belgische vissers mosselen en verse vis aangevoerd.
Toen later de toegang tot de haven verzandde bleef alleen "de
Kerckhee", zoals deze haven werd genoemd, over, waardoor een
prachtige visvijver ontstond.
Dat
Axel gestaag groeide en een belangrijke plaats werd in midden
Zeeuwsch-Vlaanderen, blijkt wel uit een bevestiging van Fhilips de
Stoute, graaf van Vlaanderen, waarin hij de Axelaars, in 1399, het
recht gaf om wekelijks, op zaterdag, een marktdag te houden. Dat het
in die periode voorspoedig ging met de Axelaars, nadat de stad
eerder door enkele branden en plunderingen totaal was verwoest,
blijkt wel uit de gedichten die geschreven staan in dezelfde kroniek
van De Hont waarin de stad AXELLA (Latijns) wordt genoemd.
Amas Xristum Eternaliter Laudans Labis Actualiter, vertaald
betekent dit enigszins: Christus eeuwig beminnende, Hem in het
heden met de lippen prijzende.
Nog een ander loflied uit deze kroniek luidt:
O Axel, allerschoonste stad, Uw beemden en weiden,
op wondere wijze stralend, die vruchten dragen,
land van melk en boter vloeiend, zijn bloemrijk en spreiden
natuurvolk van vrijheid. welriekende geuren. enz.
En nu nog steeds, ruim 600 jaar na dato, heeft de Stad Axel een
markt op zaterdag.
De hierboven getoonde plattegrond van de Stad Axel, getekend door
Jacob van Deventer omstreeks 1555, is verloren gegaan op 17 mei 1940
te Middelburg. Een gekleurde aftekening ligt opgeslagen in het Alg.
Rijksarchief, kaartenafd. DEF 10, nr 8 te 's-Gravenhage en een in
Madrid, Bibl. Nacional, MS Res 207, nr 74, f. 64v.
Kernen van de
voormalige gemeente Axel
Koewacht
Koewacht is een betrekkelijk jong dorp.
De plaats wordt genoemd in een stuk uit 1590 waarin wordt opgemerkt:
"er moet haast gemaakt worden met het fort Masereels, anders genoemd
de Koewagt". In de zeventiende eeuw komt Koewacht nog niet op de
landkaarten voor; dit is pas in 1739 het geval op een kaart van W.T.
Hattinga. Wel is er een kaart die de toestand aangeeft van na de
Vrede van Munster in 1648 waarop de plaats Koyewert voorkomt, wat
zoveel als Koeiewaard kan betekenen. Dus het toponiem Koewacht kan
inhouden: een waard is een laaggelegen land aan een rivier waarop
koeien kunnen grazen. Nadat deze waard door inpoldering was
verdwenen werd er in de loop der tijd, in de volksmond, niet meer
gesproken van Koewaard maar van Koewacht.
Overslag
Overslag is zeer oud. De oudste
gegevens in de archieven dateren van 780. Het was een welvarend dorp
van vissers en kooplieden. Het dorp lag toen aan het water, een
zeearm van de Honte. Op de plaats waar nu de grens loopt, stichtte
men een handelspost waar de goederen uit de schepen werden
overgeladen in kleinere vaartuigen die verder het binnenland
invoeren. De goederen werden overgeslagen met een hijskraan, zoals
ook het sprekend wapen van deze voormalige gemeente laat zien. De
naam van het dorp ligt dus voor de hand: Overslag.
Zuiddorpe
Het wapen illustreert de legende van
Joost van Gistelle (1446-1525): Heer van Maelstede, Moere, Axel en
Hulst, erfschout van de Vier Ambachten en ridder in dienst van
Hertog Karel de Stoute. Op 15 september 1481 vertrok de grote
reiziger van Zuiddorpe, in gezelschap van kapelaan Jan (van)
Quisthout, over land naar Egypte, Perzië, het Heilige Land en andere
verre oostelijke landen. Vier jaar later, op 23 juni 1485, bood hij
op zijn kasteel een maaltijd aan "tot zinne blide willecomme".
Tussen de bladen van zijn dagboek bracht hij enkele zaadjes van de
boekweitplant mee, waarvan de uitvoer streng verboden was. Hij
kweekte de eerste plantjes in zijn tuin te Zuiddorpe, vandaar de
boekweitbloempjes in dit voormalige gemeentewapen.
Oorspronkelijk heette de nederzetting Moere (1236). Deze naam duidt
op de bovenste kleilaag die moest worden weggehaald, zodat men het
veen kon steken dat brandstof en veel zout opleverde. Later komen
ook nog de namen Nieuwerkerke en Sudorp voor. De huidige naam
Zuiddorpe bestaat nog niet zolang. De naam is ontleed aan feit dat
het dorp ten zuiden van de Stad Axel ligt.
50 jaar
historie en schoolfoto's van Openbare basisschool Prinses Marijke
Op 30 september 2006 bestond 'De
Marijkeschool' 50 jaar. Ter ere van dit jubileum is er toen een grote
reünie gehouden in Cultureel Centrum De Halle in Axel met honderden
oud-leerlingen, (oud-)leerkrachten, vrijwilligers, etc.
InternetPlan heeft toen ter ere van deze bijzondere gebeurtenis
een website geschonken waarop men oude foto's kon plaatsen. Gezien
het daardoor ontstane archief van vele honderden, vaak historische,
foto's uit de periode 1955 t/m 2005 was het jammer geweest dit
archief verloren te laten gaan na de reünie. Daarom blijven alle
foto's nog te bewonderen hier op AxelOnline.nl.
>>
KLIK HIER OM NAAR
HET FOTO ARCHIEF TE GAAN <<
D'n érpelkapper
Tijdens
een bezoek van de initiatiefnemer aan het Kröller-Müleermuseum te
Ottterloo in 1998, met als doel het schilderij van Vincent van Gogh
de aardappeleters uit 1885 te gaan bewonderen, is er een idee
ontstaan om een beeld te ontwerpen dat de bijnaam van de Axelaars,
de érpelkappers, zou kunnen symboliseren. Axelaars worden als
vanouds met deze naam genoemd. Het wijst uiteraard naar het verleden
toen zij veelvuldig, nadat de aardappeloogst was gerooid, het land
opgingen om de achtergebleven aardappels op te rapen of te kappen om
zodoende een wintervoorraadje te kunnen opslaan. Ook
aardappelselecteurs die tijdens het hoogseizoen deze producten
selecteren, worden identiek afgebeeld.
In 1990 nam Dingeman de Koning, "geen Huboor'n en Hutooh'n Axelaar",
het initiatief om een beeld voor de érpelkappers te laten maken, en
zocht de Poolse beeldhouwer Marian Héwalo in Moerbeke-Waas op, die
enkele modellen voor hem ontwierp. Naar diverse discussies te hebben
gehad of het beeld nu een korte of een langere kapper mee zou
krijgen, werd uiteindelijk voor de kortste kapper gekozen, uitgaande
dat de érpelkapper toch door de knieën moest zakken om zijn gevonden
waar in de érpelzak te kunnen steken. Dit eerste model had een
hoogte van 36 cm, een tweede, enkele maanden daarna, werd 19 cm hoog,
hiervan zijn de meeste in omloop gebracht.
Op 17 maart 1990 werd het eerste beeldje, in samenwerking met VVV-Axel,
aan de toenmalige burgemeester W.J. de Graaf overhandigd, die bij
deze overhandiging opmerkte een érpelkapper op ware grote voor de
gemeente te zullen toejuichen. Op 7 november 1991 werd aan de
gemeente een bronzen beeld geschonken (wat kleiner dan een volwassen
Axelaar) dat geplaatst is op een leistenen sokkel bij de ingang van
het Het Kasteeltje aan het Kennedyplein. De onthulling, die min of
meer al een dag eerder door de voorzitter van VVV-Axel was verricht,
vond op een toepasselijke wijze plaats, de burgemeester trok bij
deze handeling een érpelzak weg, waarmee het beeld aan alle
“érpelkappers” werd getoond.
Het bronzen beeld is met medewerking van onderstaande personen,
ondernemingen en instellingen gerealiseerd:
D. de Koning - W. van Britsom - A.E.H. van Britsom - Chr. Hollebek -
P.C. Vasseur - G.C.P. de Hamer - Mieras en Zn. b.v - VVV-Axel -
Rabobank - Fehax - Pijp-Las-Constr. De Pooter - Groenvoorziening den
Doelder - Dow Benelux
p.s.
Het miniatuurbeeldje is vervaardigd van kunststof en er wordt
gebruik gemaakt van een gietmal. Eind 1998 is deze mal zwaar
beschadigd. Hierdoor heeft de beeldhouwer Marian Hewalo een nieuw
beeld vervaardigd, dat wat strakker van uitvoering is en 6 cm groter
is geworden. Het is verkrijgbaar bij: Dingeman de Koning
Prins-Hendrikstraat 63 4571HD Axel TeL: 0115 563012 / 06 53 147 094
of in het Streekmuseum 'Het Land van Axel' Noordstraat 11 te Axel
Tel: 0115 562885)
In het boekwerkje “AXEL, EEN BEELD VAN EEN WERKELIJKHEID”,
geschreven door Piet de Blaeij uit Axel, kunt U tevens informatie
vinden over d'n érpelkapper.
Kastelen van Axel
Bronnen: Middeleeuwse kastelen van
Zeeland door J.P. van den Broecke (uitgeverij Helmar uit Delft),
Archief gemeente Terneuzen locatie Axel en de heer F.H. Deenen uit
Axel.
De
naam Axel komt voor het eerst voor in de archiefstukken in het jaar
991 onder de naam Axla. Van de ambachtsheren die zich hierna
vestigden is niet veel bekend. In een charter van 1177 wordt melding
gemaakt van Walter van Axel, maar waar deze ambachtsheer precies
heeft gewoond wordt hierin niet vermeld.
In zijn kroniek van Axel en omgeving schreef Jacob de Hont
(1487-1525), die in Axel werd geboren en daar later ook kapelaan,
organist, priester en ook nog ontvanger van de kerk is geweest, over
een heuvel die begin van de dertiende eeuw zou zijn aangelegd in de
Kerckheede (het water nabij de kerk) nadat deze was verzand. Op deze
heuvel zou later een kasteel zijn gebouwd met vier torens. Dit is
vrijwel het enige wat in de boeken staat over het eerste kasteel van
Axel.
Volgens kastelenkenner bij uitstek Dhr. Deenen uit Axel, is het ook
niet uitgesloten dat dit kasteel heeft gestaan op de plaats waar het
schepenhuis staat afgebeeld (zie 4 op de bijlage). Gezien de ligging
en de toepasselijke naam van de Burchstrate (nu Oosterstraat), lijkt
het inderdaad mogelijk dat deze straat een oprijlaan of een dreef
kan zijn geweest die van het centrum naar het kasteel heeft gelopen.
Wie de opdrachtgever is geweest voor het bouwen van deze burcht is
niet meer na te gaan, wel wordt er uit die periode melding gemaakt
van ambachtsheren, zoals in 1201 over de Vlaamse edelman Philips van
Axel. Op zegels uit de Vier Ambachten komen achtereenvolgens in 1226
Jan van Axel voor, in 1248 ridder Olivier van Axel en in 1294 ridder
Filips van Axel die er tevens schout was. Later komen in de
archiefstukken ook nog de families De Vos, Ghistelles, Van der
Gracht, Liederkerke, Basta, en d'Ennetières voor, maar wie van deze
heren of dames in het kasteel hebben gewoond, is ook niet meer te
achterhalen.
In 1295 schijnt het kasteel in vlammen te zijn opgegaan tijdens het
midzomernachtfeest waarbij feestvuren werden ontstoken. De gevolgen
waren rampzalig zoals een gedicht daaraan herinnert:
In 't jaar 1200 ende viventnegentich mede,
Doe verbrende Axele, die goede stede;
Kercke, cluse ende ooc hospitale,
Castele, molen al te male.
Het
kasteel moet daarna opnieuw zijn opgebouwd want op 15 september 1452
brandde het opnieuw in Axel. Deze keer werd het veroorzaakt door
Philips de Goede die met zijn legerbende door de stad trok en er "eenen
asschen-hoop" van maakte. (zie ook topografie en geschiedenis van de
Stad Axel). Bij deze brand moet het herbouwde kasteel geheel
verloren zijn gegaan omdat niets meer aan zijn glorie herinnert. Het
werd toen bewoond door Adriaan van Voorhout.
In 1963 werd door de Rijksdienst voor oudheidkundig bodemonderzoek
begonnen met een onderzoek naar de funderingsresten van het kasteel
van Axel, men slaagde er echter niet in de resten van het eerste
kasteel te lokaliseren. Tijdens dat onderzoek heeft men wel de
fundering blootgelegd van een bijgebouw en een kapel van een ander
kasteel, dat vermoedelijk is gebouwd aan het einde van de vijftiende
eeuw. Dus nadat het eerste kasteel van Axel verloren is gegaan heeft
men kort daarna een ander gebouwd aan de zuidzijde van de stad. Dit
tweede kasteel staat in de archieven beschreven als het "Hof van de
Heren van Axel", alleen welke Heren er hebben gewoond staat er
jammer genoeg niet bij.
Voor het "Hof van de Heren van Axel" heeft nog een derde optrekje
gestaan, het huis van Wulffaert van Borssele (zie 47 op de bijlage).
Deze edelman, uit het bekende en machtige Zeeuwse geslacht van de
Van Borsselen, zal daar niet in een arbeidershuisje hebben gewoond,
maar ongetwijfeld in een aanzienlijk onderkomen zoals een herenhuis,
of mogelijk zelfs een klein kasteeltje.
Door de Allerheiligenvloed in 1570 en nadat Axel nog maar eens in
brand werd gezet in 1574, ditmaal door de Geuzen, is ook het tweede
kasteel met bijgebouwen (kapel en gevangenis) geheel verloren gegaan
en is daarna niet meer herbouwd. Op deze plaats, aan het huidige
Hofplein nabij de lagere school De Warande, herinnert niets meer van
de glorie van weleer en zal zijn bestaan nooit meer verder worden
toegelicht.
De slag om
Axel - 1944
Door Piet Scheele
Met
verwondering en met een gevoel van erkenning, zat ik een paar dagen
vóór de herdenking van de slag om de brug van Arnhem van september
1944 (Market Garden) naar het tv-journaal te kijken. Bij een
documentaire over de rol van de Polen bij de bevrijding van het
Zuiden van Nederland kwamen er o.a. twee bewoners van Axel (waar ik
ben geboren) in beeld, die (met ondertiteling) vertelden over de
Poolse bevrijders die tussen 15 en 19 september 1944 de strijd met
de Duitsers om Axel, Oost Zeeuws-Vlaanderen, leverden. Een Poolse
oud-strijder vertelde, dat hij na Normandië niet meer zo zwaar met
de Duitsers had moeten vechten. De inzet was de haven van Antwerpen
als aanvoerhaven voor de geallieerden. Die strijd was bij mijn weten
nooit eerder op tv geweest.
Rob Trip deed, samen met een (voor mij onbekende) historicus, op tv
verslag van de herdenking van het dramatische gevecht van de Britse
parachutisten rond Arnhem. De historicus vertelde, dat de
Amerikaanse bevelhebbers de schuld van de mislukking aan de langzame
Britten weten, die nadat ze de brug bij Nijmegen in handen kregen
niet doorstootten, maar thee gingen drinken. Een wat clichématige
beschuldiging. De Britten verdedigden zich dat het nacht en donker
werd. Intussen zaten de parachutisten rond Arnhem in het nauw en op
hulp uit het zuiden te wachtten, die niet kwam. De parachutisten
moesten terug over de Rijn. Velen verloren het leven of werden
krijgsgevangen gemaakt. De Poolse 1e parachutistenbrigade was wegens
slecht weer ten zuiden van de rijn bij Driel gedropt. 260 Poolse
soldaten kregen de opdracht om de Rijn over te steken terwijl de
Duitsers weer op de hooggelegen Noordoever van de Rijn zaten. Ze
werden door de Duitsers weggemaaid.
Je
hoorde weinig over de rol van de Polen die daar vochten. Tijdens de
herdenking werd verteld over een Pool die aan de Duitsers ontkwam en
door een Britse patrouille werd doodgeschoten, omdat ze dachten dat
hij Duits sprak: de meeste Polen spraken geen Engels. De Polen
hadden de naam harde vechters 'met het mes tussen de tanden' te zijn.
Toch keken de Britten op de Polen neer; ze zagen hen als
onbeschaafde boeren. Of dat de reden is, dat ze aan de rand van de
Britse militaire begraafplaats in Oosterbeek begraven liggen werd
niet duidelijk. Dramatisch was dat de Polen, die eerder naar het
Westen waren gevlucht en hevig vochten voor de bevrijding, na het
einde van de oorlog niet door de Russen, die Polen had ingenomen, in
hun vaderland werden toegelaten.
Dit jaar werden de Polen nadrukkelijk geëerd. Mogelijk was het de
reden, dat de slag om Axel, waar de Polen ook hadden gevochten, uit
de vergetelijkheid werd gehaald. De strijd van de Polen om Axel was
zwaar. Dat bevestigen oude foto's, die een paar dagen na de strijd
rond Axel in 1944 zijn genomen. Het valt ook te lezen in het verslag
van kolonel Z.M. Szydlowski, de commandant van de Poolse 3e Brigade
Jagers, waaruit ik en uit eigen herinnering put.
Slag om Axel
In
september 1944 hoorde je aan het gerommel van artillerie in de verte
dat er dichtbij gevochten werd. In de nacht trokken colonnes
haveloze Duitse troepen te voet, op de fiets of met kar en paard
door Axel naar het Noorden. Was je fiets niet goed verstopt dan was
je hem kwijt. De Duitse soldaten vroeger om water en wilden weten
hoe breed de Westerschelde was. Als ze hoorden van een kilometer of
zeven, zag je hun gezicht betrekken. Mijn latere schoonmoeder, die
na lang bonzen op de deur uit bed kwam en angstig open deed, verbond
een aan de arm gewonde Duitse soldaat.
De Polen hadden in het gebied rond Gent in België gevochten. Ze
hadden de opdracht Axel te veroveren en de weg vrij te maken naar de
haven van Terneuzen en naar de Westerschelde. Ten zuiden van Axel
langs het kanaal Axel-Hulst waren de landerijen onder water gezet en
de bruggen opgeblazen. Zwaar materieel kon er moeilijk opereren.
Inunderen was geen uitvinding van de Duitsers en voor Axel niet
nieuw. In zijn boek Maurits van Nassau beschrijft A. Th. van Deursen,
dat prins Maurits, de zoon van Willem van Oranje, in juli 1586 als
19-jarige met de Engelsman Sir Philip Sidney leidinggevend aan
drieduizend soldaten Axel veroverde op de Spanjaarden. Een
veertigtal soldaten zwom met ladders de gracht over een veroverden
een poort. De stad viel in hun handen en ze zetten het omringende
land onder water.
Een
compagnie van het Poolse 9e bataljon Jagers (onderdeel van de 3e
Brigade Jagers) bevrijdde op 16 september 1944 Zuiddorpe, een dorp
vier kilometer ten zuiden van Axel. Een groep verkenners werd naar
Drieschouwen gestuurd op ongeveer een kilometer van Axel. Ze werd
beschoten en leverde een fel gevecht. Een compagnie Jagers kwam ten
noorden van Zuiddorpe onder kruisvuur uit de remise van de ZVTM (Zeeuws-Vlaamse
Tramweg Maatschappij) in Drieschouwen te liggen. Twee Poolse
soldaten sneuvelden en meerdere werden gewond. Om 16.00 uur nam het
Poolse leger Drieschouwen in en zond een patrouille verkenners over
de Kinderdijk naar Axel. Door de inundaties en de diepe Kleine Kreek
lag de Kinderdijk aan beide zijden tussen water. Veel dekking was er
niet en vanuit Axel hielden de Duitsers de weg onder schot. Toch
bereikte de patrouille de opgeblazen brug vlak voor Axel. Onder
zwaar vuur groeven ze zich in. Aan de andere kant van de brug deden
de Duitsers hetzelfde. Een compagnie Jagers viel om 17.00 uur met
lichte tanks de Duitse stellingen bij de brug aan om de daar
ingegraven soldaten te ontzetten. Ze kwamen onder vuur van
sluipschutters, van machinegeweren en geschut uit pantserwagens. Het
kostte de compagnie binnen enkele minuten 4 doden en veel gewonden.
Ze moest zich op Drieschouwen terugtrekken. 's Nachts deed ze een
uitval om de achtergebleven gewonden te redden. De hele nacht werd
er van beide zijden druk gepatrouilleerd.
Gemotoriseerde
Pantserartillerie van de Polen nam de zuidrand van Axel onder vuur.
Vanuit de watertoren, tussen Drieschouwen en Axel, werd het
artillerievuur geleid. Niet alleen de zuidrand van Axel lag onder
vuur. Als zeventienjarige woonde ik bij mijn ouders op de
Nieuwendijk aan de noordkant van Axel met broer en zus. Achter de
woning lag een tramlijn en aan het begin van de straat 150 meter
naar het centrum de (toenmalige) spoorlijn Terneuzen-Mechelen.
Plotseling scheerder drie geallieerde vliegtuigen over het huis en
wierpen bommen. De bommen kwamen terecht in een weiland voor het
huis. Ruiten sneuvelden maar niemand werd geraakt, alleen een koe
werd getroffen. Maar angst gaf voeding aan de neiging om het voor
ons gevoel gevaarlijke gebied te ontvluchten, zeker toen de buren
vertrokken. We vluchten naar de Oudeweg, die meer oostelijk lag.
Veiliger was het er niet: de Poolse Artillerie beschoot de omgeving.
Een granaat plofte tegen een muurtje van het huis waar we dekking
zochten, maar ontplofte niet. Die onontplofte granaat voor de deur
was de motivatie om verder te vluchten, de Beoostenblijsestraat van
de Beoostenblijpolder in.
Nauwelijks
honderd meter in de Beoostenblijsestraat sloegen opnieuw de granaten
in. We zochten dekking in een droge sloot. Niet helemaal veilig voor
granaten die boven de grond ontploffen (kartetsgranaten). Een broer
en een buurman werden licht gewond. Nadat het schieten ophield en
het donker werd zochten we beschutting in de grote schuur van de
boerderij Het Looseshof van 'herenboer' De Putter. Het dak van de
schuur van de boerderij was door een granaat getroffen; er zat een
groot gat in. In de nacht namen een groep Poolse verkenners een
kijkje in de schuur. Ze deelden sigaretten uit en verdwenen. In de
schuur lag een gewonde Duitse militair, die verpleegd werd door een
jonge vrouw die bekend stond met Duitse soldaten te verkeren. Ze
lieten de gewonde Duitser ongemoeid.
Inmiddels had het 10e Regiment Dragonders, op dezelfde 16e september,
het kanaal Axel-Hulst oostelijk van Axel bij de kapotte brug aan de
Tweede Verkorting bereikt. De Duitsers hadden het kanaal niet
continu bezet, maar opserveerden het o.a. vanuit de 60 meter hoge
toren van de basiliek in Hulst. De torenspits overleefde de strijd
niet. Er zit nog een hakenkruis in de vloer onder de herbouwde
torenspits door Duitse waarnemers daarin gekerfd. Een Eskadron
Jagers stak zwemmend en met bootjes het kanaal over ten oosten van
het Tweede Plaatje. Kolonel Szydlowski noemt het in zijn rapport de
sector Duboch. Die naam is me onbekend; mogelijk de naam van een
boerderij. Het 1e Eskadron Dragonders kwam te voet tot de Steenovens
en groef zich daar in. Andere Eskadrons namen stelling aan de
Armendijk ten Westen van Kijkuit en ten oosten van het Tweede
Plaatje. De bevoorrading van de Eskadrons in het bruggenhoofd moest
worden onderhouden met bootjes of gewoon door het kanaal over te
zwemmen. Het was een smal kanaal, maar door de inundaties was het
tot de randen gevuld met water. Ervoor lagen de landerijen onder
water. Ten zuiden van het kanaal liepen vier smalle landwegen door
de inundaties.
In
de nacht probeerde de Genie een brug te bouwen om tanks,
antitankwapens, carriers (stalen voertuigen op rupsbanden) en ander
zwaar materieel over te zetten. De Genie had om 01.00 uur op 17
september net een brugdeel klaar en was bezig het naar de overkant
te schuiven toen de Duitse artillerie de bruggenbouwers en de
kanaalovergang hevig onder vuur nam. Het brugdeel werd, met een
carrier er op, stuk geschoten. De Polen kregen de opdracht om het
bruggenhoofd in handen te houden. De gehele nacht lag het
bruggenhoofd onder vuur. Af en toe ontstonden branden bij in puin
geschoten boerderijen. Zeventien boerderijen en meerdere huizen aan
de Armendijk tussen Kijkuit en het Tweede Plaatje gingen die nacht
in vlammen op.
Er is een verhaal van een boer (zijn naam is me niet bekend) wiens
boerderij bij het treffen tussen Polen en Duitsers in de vuurlinie
lag. Terwijl hij met zijn gezin in de kelder van zijn woning dekking
zocht barstte er boven hem een hevig gevecht los. Nadat het even
stil werd waagde hij het voorzichtig een kijkje te nemen. Rondom de
boerderij lag het vol met gewonde, stervende en gesneuvelde Poolse
militairen. Zo goed en zo kwaad als het ging probeerde hij de
gewonden te helpen, maar moest de kelder weer invluchten toen de
Duitse artillerie de boerderij onder vuur nam. Er verschenen Duitse
tanks en nadat de Duitsers de boerderij weer bezetten beschoot de
Poolse artillerie de boerderij, die in brand vloog. Kruipend kon de
boer en zijn gezin de brandende boerderij ontvluchten; ze kwamen er
levend af.
In
de vroege ochtend van 17 september was er op het bruggenhoofd het
geluid van rupsbanden te horen. De Duitsers vielen aan met tanks en
pantserwagen gesteund door artillerie. In Hulst hadden de Duitsers
Pantserartillerie en sterke stellingen. Het 2e Eskadron Dragonders
dat in het oosten bij Kijkuit lag en het 3e Eskadron Dragonders in
het westen bij het Tweede Plaatje moesten zich onder zware druk
terugtrekken. De radioverbinding was slecht. Het 1e Eskadron
Dragonders, dat bij Steenovens in het noorden van het bruggenhoofd
lag, wist niet dat de andere Eskadrons terugtrokken. Tegen 07.00 uur
merkte de commandant, dat er Duitsers achter hem waren. Onder hevig
vuur moesten ook zij zich terugtrekken. Bij het ontbreken van
antitankgeschut, pantserwagens en tanks moesten de Dragonders zich
met geweren en handgranaten verdedigen. Veel soldaten van het
Eskadron sneuvelden. Onder het onophoudelijke vuur van de Duitsers
zochten de resten van de Eskadrons zwemmend een terugweg over het
kanaal. De te hulp geschoten compagnie Jagers en een Eskadron
Pantserjagers konden de Dragonder bij het ontbreken van een brug
niet ontzetten. De dikke ochtendmist en de rook van de granaten
maakten gericht schieten onmogelijk. Die ochtend verloor het 10e
Regiment Dragonders 116 man aan doden en 30 Polen werden gevangen
genomen. Het aantal gewonden was groot.
Op de 18e vielen bij het patrouilleren over het kanaal zowel bij
Polen als Duitsers doden en gewonden. Onder dekking van ochtendmist
trok een Poolse patrouille over het kanaal bij de kapotte brug ten
zuiden van Kijkuit. De patrouille schatte de sterkte van de Duitsers
op een Compagnie. Dat leek gunstig om daar een bruggenhoofd te
forceren. Tegen de avond om 16.00 uur stak een Compagnie Jagers van
Podhale, gesteund door artillerie en pantserwagen, het kanaal over
vanuit de richting Absdale en vormde een nieuw bruggenhoofd bij de
opgeblazen brug ten zuiden van Kijkuit (de brug heet nu de
Szydlowskibrug). Het was van groot belang dat de Genie een brug zou
bouwen om zwaar materieel naar de overkant te krijgen.
De
gehele nacht lag de bouw van de brug en het bruggenhoofd onder vuur
en oefenden de Duitsers druk op het bruggenhoofd uit. Het materiaal
voor de brug werd aangevoerd over een kilometer lange smalle weg
tussen onder water staande of op zijn minst drassige velden, waar
een rij bomen aan beide kanten van de weg en de muren van een café
bij de brug minimale dekking boden. Een compagnie Jagers sloeg een
aanval van de Duitsers vanuit Hulst af. Ze wisten het bruggenhoofd
te behouden en de bouw van de brug te beveiligen.
In de ochtend van de 19e was om 06.30 uur de brug klaar en onder
dekking van opnieuw zware ochtendmist trokken twee Eskadrons
Pantserjagers over de brug. Op het bruggenhoofd gingen Jagers van
Podhale tot de aanval over. Gesteund door pantserwagens rolden ze de
Duitse verdediging op en bezetten het Tweede Plaatje (de sector
Dubosch). De Polen verloren vijf doden. De strijd was nog niet
voorbij. Een Bataljon Jagers dat de brug wilde passeren kwam onder
zwaar vuur. Twee pantserwagens werden getroffen en belemmerden enige
tijd de doorgang. Pas toen die verwijderd waren was de weg vrij.
Een
1e groep van de Jagers trok op naar het gebied rond de boerderijen
Lusthof en Het Looseshof (de boerderij waar wij bescherming zochten)
in de Beoostenblijpolder aan de noordoostkant van Axel en braken de
tegenstand. Met een 2e groep veroverden ze de wegkruising bij de (toen
nog bestaande) spoorwegovergang in Axel en de boerderij Nooit
Gedacht van boer Dekker bij De Tol ten noorden van Axel. De 2e groep
was slechts langzaam gevorderd, ze werd belemmerd door Duitsers die
zich in boerderijen en inundaties verschansten en ook voor het
verzorging van eigen Dragonders, die het eerste bruggenhoofd hadden
gevestigd en na het dramatische gevecht met de Duitsers zich
verborgen hadden gehouden. Omstreeks 12.00 uur werd Axel door de
Polen bevrijd. De Duitsers waren gedemotiveerd, gaven zich over of
trokken terug. Een aantal burgers werden bij de gevechten dodelijk
getroffen, waaronder een zuster van mijn (latere) vrouw. Veel
materieel werd door de Polen buitgemaakt en vele Duitsers gevangen
genomen. Het is een dramatische gebeurtenis als legeronderdelen door
eigen troepen worden beschoten. Het bleef de Polen niet bespaard.
Een compagnie Pantserjagers zuiverde het gebied rond de Axelse
Sassing. Ze namen 200 Duitsers gevangen en vorderden zo snel, dat de
radioverbinding met de hoofdgroep werd verbroken. Mogelijk door het
grote aantal Duitse gevangenen, werden ze door een eigen
legeronderdeel voor Duitsers aangezien en beschoten.
De
weg naar de haven van Terneuzen en naar de Westerschelde lag open.
Op 20 september werden Zaamslag en Terneuzen bevrijd. Er vielen
daarbij geen Poolse slachtoffers. De Duitsers waren na de vierdaagse
veldslag uit elkaar geslagen en boden geen georganiseerde tegenstand.
Ze trokken in wanorde terug en probeerden, voor zover ze zich niet
overgaven, in boten en schepen de overkant van de Schelde te
bereiken. Vele volgeladen boten werden door vliegtuigen en
artillerie beschoten en bereikten de overkant niet. Oost
Zeeuws-Vlaanderen was bevrijd.
Vele Poolse soldaten zijn daarbij gesneuveld of gewond. De verliezen
aan Duitse kant waren nog groter. Twaalf Polen, die in een massagraf
lagen, zijn herbegraven op het katholieke kerkhof in Axel. De meeste
gesneuvelde Polen zijn herbegraven op de Poolse militaire
begraafplaats bij Breda: Breda is op 29 oktober 1944 door Polen
bevrijd. De gesneuvelde Duitsers zijn op Duitse militaire
begraafplaatsen in Duitsland herbegraven.
Na het kijken en luisteren naar het tvverslag over Market Garden,
kwam de slag om Axel en de rol van de Polen bij de bevrijding van
Oost Zeeuws-Vlaanderen weer in mijn herinnering en schreef ik dit
verhaal.
De
suatiesluis van Reigersbosch
Door George Sponselee. Fotografie: Wim
Kooyman
De
Tweede helft van de zestiende eeuw was voor de Nederlanden, zowel
voor de Noordelijke als de Zuidelijke, een roerige tijd. Er speelden
twee belangrijke zaken door elkaar: er was onrust op godsdienstig en
op politiek gebied.
Het is te kort door de bocht om te zeggen dat het begin van de
godsdienstige onvrede in 1517 lag, toen Maarten Luther zich openlijk
tegen een aantal toe- en misstanden in de christelijke kerk
verklaarde. Het broeide al langer, maar toch is die 31e oktober 1517
een keerpunt: wat onderhuids leefde kwam vanaf nu naar buiten.
Politieke onrust was er omdat de Nederlanden onder het juk van
Spanje vandaan wilden. Drie opmerkelijke momenten in de tweede helft
van die eeuw geven een goed beeld van de ontwikkelingen. Op
godsdienstig gebied is dat de Beeldenstorm die op 10 augustus 1566
in het Vlaamse (thans Franse) Steenvoorde begon. Als tweede de op 23
juli 1579 gesloten Unie van Utrecht, een bondgenootschap van een
aantal Noord-Nederlandse gewesten om samen de strijd tegen Spanje te
voeren. Als derde de ‘Verlatinghe’ of de afzwering van Filips II als
staatshoofd door de Staten-Generaal op 26 juli 1581.
Het bondgenootschap van de Unie breidde zich uit, zo sloot Gent er
zich op 4 februari 1579 bij aan en Antwerpen dat zelfde jaar op 29
juli. Daarmee waren beide steden ook afvalligen van Filips II
geworden en ze gaven tegelijkertijd te kennen meer te voelen voor
het protestantisme dan voor de rooms-katholieke visie van de
landsheer. Dat viel uiteraard niet in goede aarde. Antwerpen, ‘de
hoofdstad van Noord-Europa’, zoals ze toen genoemd werd, een
protestants bolwerk!
Voor Alessandro Farnese, prins en hertog van Parma, en sedert 1578
landvoogd over de Nederlanden en zijn heer Filips II was dat een
onverdraaglijke toestand. Antwerpen - naast andere steden - moest
terug onder Spaans bewind komen. Op 6 juli 1584 vestigde Parma,
zoals hij gewoonlijk genoemd wordt, zijn hoofdkwartier op het
kasteel in Beverenbroeck, op de Singelberg. Het kasteel is er niet
meer, de Singelberg wel. Kijkend vanaf de zuidelijke oprit naar de
Liefkenshoektunnel naar de kerk van Vrasene, zie je, midden tussen
de akkers, een ‘hoop grond’. Meer dan dat lijkt het niet, maar van
dichtbij blijkt het toch meer te zijn, bijvoorbeeld dat de hoogte
elf meter is. Een groot deel van het polderland richting doel en
Antwerpen stond onder water. In 1583 hadden de soldaten van Willem
van Oranje, de opstandelingenleider, de Scheldedijken aan de Vlaamse
kant van Saeftinghe doorgestoken. Farnese liet forten opwerpen en
een schipbrug over de Schelde bouwen om bevoorrading van de stad
vanuit het noorden te beletten. Tussen het fort Sint-Jan bij
Trompwal en het overstroomde gebied liet hij de Parmavaart graven,
waardoor rechtstreekse scheepvaartverbindingen met Hulst en Gent
gerealiseerd werden.
Het Beleg van Antwerpen duurde meer dan een jaar: pas op 17 augustus
1585 tekende burgemeester Filips Marnix van Sint Aldegonde de
capitulatie. Dit feit wordt de definitieve scheiding tussen de
Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden.
Zeeuws-Vlaanderen hoort dan, op niet veel meer dan een schans bij
Terneuzen na, nog bij de Zuidelijke Nederlanden.
In 1584 deden Zeeuwse troepen in het huidige Zeeuws-Vlaanderen
hetzelfde wat ze bij Saeftinghe gedaan hadden: de zeedijken
doorsteken. Dit om een eventueel doorstoten van de troepen van Parma
in noordelijke richting te verhinderen. Rond 10 mei 1584 waren de
dijken ten westen van de Sax- of Hulsterhaven bij Campen en de
dijken bij Othene en Buuxgate, ten westen van Axel aan de beurt. De
inbraak bij Campen viel op zich nog wel mee, maar de najaarsstormen
voltooiden het werk. Het Hellegat ontstond en spoedig vormden de
overstroomde landen van Stoppeldijk en Aandijke, de gebieden ten
zuiden van Axel en die van de Braakman één doorgaande verbinding.
Hulst, als havenstad kwakkelend omdat de Saxhaven - de huidige Oude
Haven vanaf Campen - door verzanding nauwelijks nog bruikbaar was,
kreeg weer een verbinding met de Honte. De Oude Vaart tussen de
Buitenvest en het Groot-Eiland verbond het stadje met het Hellegat.
Die verbinding was van belang voor de stad en ze bleef (zij het met
hangen en wurgen door aanslibbing) bestaan tot 1789. Toen werd de
Riet- en Wulfsdijkpolder bedijkt.
Ten gerieve van Hulst werd en bij Luntershoek ((de Hulsterse)
Sassing) een sluis aangelegd, maar ook daar sloeg de verzanding toe
en in 1821 werd ze afgedamd. Wel bleef het Hellegat diep het land
indringen. Aan de westelijke kant waren de buurtschappen Watervliet,
de Batterij, de Sluis, Zaamslagveer, Poonhaven en Kampersche Hoek ‘kustplaatsjes’.
Aan de oostkant waren dat Luntershoek, Stoppeldijkveer, de Sluis met
de Drie Gezusters, ‘t Ruischende Gat, Schapershoek, ‘t Keizerrijk,
Kamperhoek en Campen. Er waren zelfs twee veerverbindingen: een
tussen Zaamslag- en Stoppeldijkveer en een tussen Poonhaven en
Campen. In de later bedijkte polders van het Hellegat, de Koning
Willem III-, de Van Lijnden- en de Hellegatpolder zijn geen
buurtschappen ontstaan.
Een van de eerstvolgende bedijkingen na 1789 was die van de
Catharinapolder. Die werd genoemd naar de dochter van de toenmalige
rentmeester van de schorren, later de ontvanger-griffier van de
polder W. Seydlitz uit Hulst.
Met de bedijking werd een begin gemaakt in november 1845, een
stormvloed op 11 en 12 december deed echter een groot deel van het
werk teniet, maar op 13 maart 1846 was de polder weer droog. Een
polder moet zijn binnenwater kwijt zien te raken en in de regel
gebeurt dat door een zeesluis, een suatiesluis, op het buitenwater,
in dit geval dus op het Hellegat. De sluis had dan moeten liggen in
de afsluitdijk die iets ten zuiden van Stoppeldijk- en Zaamslagveer
ligt. Dat gebeurde echter niet. In eerste instantie wilde men sueren
door de sluis die door de Riet- en Wulfsdijkpolder in 1787 was
aangelegd bij Reigersbosch, een voormalig fort en de naam van een
boerderij. Het water kon dan verder afgevoerd worden door het
Zijkanaal van Axel naar Hulst.
De bedijkers gaven echter de voorkeur aan afvoer via de Oostelijke
Rijkswaterleiding, die bij Terneuzen in de Westerschelde uitmondt.
Dat gebeurde door een duiker bij de Pouckepoldersedijk, bij de
buurtschap De Sluis.
Dat hield echter in dat de sluis bij Reigersbosch nauwelijks nog een
functie had. Tijdens de uitvoering van de ruilverkaveling Koewacht
tussen 1966 en 1975 werd het front aan de zoete kant, de kant van de
Riet- en Wulfdijkpolder, afgebroken.
Alleen het zoute front bestaat nog, maar omdat dat niet langs een
openbare weg ligt en alleen via een akker te bereiken is, weten
slechts weinigen van het bestaan van dit sluisrestant dat echter
zeker bescherming en conservering verdient, en eventueel ontsluiting
vanaf de weg.
De bewogen
geschiedenis van het Zijkanaal naar Hul
De oudste stadjes in Zeeuws-Vlaanderen
zijn ontstaan op zandige opduikingen in het landschap waar een
waterloop passeerde.
Die zandige opduikingen lagen daar niet zomaar toevallig. Ze maakten
deel uit van een stelsel van lage ruggen, die naar het zuidoosten
toe in hoogte opliepen. We zien dat ook nu nog in het landschap. Van
de zandrug waarop Axel indertijd werd gesticht, zien we aan de
oppervlakte niets meer terug.
Die van Hulst is nog steeds markant aanwezig westelijk van de Linie
tussen Hulst en Zandberg. Meer noordelijk duikt deze rug onder de
klei en loopt onder Graauw en Het Verdronken Land van Saeftinghe
door om tegen de vaargeul weer tevoorschijn te komen. Let wel, dat
tevoorschijn komen gebeurt maar een paar keer per maand bij
laagwater springtij. In de buurt lag indertijd ook een stadje,
Saeftinghe, maar dat werd in 1334 bij een stormvloed weggevaagd. Een
aanmerkelijk hogere zandrug vinden we terug bij Clinge,
Sint-Jansteen en Heikant met uitlopers richting Koewacht-Roode
Sluis-Overslag en Koewacht-Nieuwe Molen-Oude
Molen-Hazelarenhoek-Zuiddorpe-Oudenpolder. In de buurt van
Driehoefijzers niet ver van waar de Boschkreek de zandrug doorbreekt,
ligt zelfs een stukje zandrug dat niet is aangetast door wegenaanleg,
huizenbouw en landbouwactiviteiten. In de jaren dertig van de vorige
eeuw is hierop een dennenbosje aangeplant om het te conserveren.
Hier kunnen we zien dat deze zandruggen in feite niets anders zijn
dan afgevlakte duinenrijen uit een ver verleden.
Hulst had al vroeg een verbinding met de buitenwereld via de
Saxhaven of Saxvliet. In die tijd, we spreken dan over een 900 jaar
terug, zag de streek er heel anders uit dan nu. In het zuiden lag
een woest zandlandschap met dichte bossen, de wilde landen. De
lagere zandruggen naar het noorden toe waren overdekt met
veenmoerassen en klei van vroegere wadafzettingen.
Een groot deel van Zeeland bestond destijds uit een
schorrenlandschap tot eilanden versneden door talloze geulen. Grote
delen van die schorren waren bedijkt. We kunnen ons die Saxvliet
voorstellen als een riviertje dat zijn oorsprong vond in de hogere
zandgronden en die stroomafwaarts van Hulst overging in een
schorrengeul.
Op grote schaal zien we dit nu nog in de Schelde. Deze vindt zijn
oorsprong in een bron in het noorden van Frankrijk en mondt via een
estuarium (met getij) in de Noordzee uit.
Die Saxhaven was een bochtig en nauw vaarwater en onderhevig aan
verzanding en opslibbing. De Hulsterse haven, de economische
levensader in een tijd van nauwelijks begaanbare wegen, was daardoor
een zorgenkind voor de opeenvolgende stadsbesturen. Op een gegeven
moment was de geul zo hoog opgeslibd dat hij nauwelijks bevaarbaar
was.
We kunnen dat heel mooi zien als we over de Oude Zoutdijk lopen
richting Rustwat. De hoge rug aan de linkerkant is de oude Saxhaven.
Een ramp bracht de oplossing. Toen in 1585 en 1586 op enkele
plaatsen de dijken werden doorgestoken om een waterlinie te creëren,
vonden twee doorbraakgeulen een weg tot bij Hulst: het Hellegat
vanuit het noordwesten en het Spiekerboor vanuit het noordoosten.
Ook dit was niet van lange duur want na verloop van tijd werden
polders bedijkt en kwam de vaarweg weer in het gedrang. Met de
bedijking van de Riet- en Wulfsdijkpolder in 1789 was het ver
afgelopen met de vaarweg.
Bij Luntershoek bouwde men een schutsluis, het Hulstersas.
Vandaar kon men over de bestaande kreken van het Groot Eiland en de
Oude Vaart tot bij Hulst komen. Dat gebeurde langs een trekpad met
paarden waarvan tot in de jaren zeventig delen te bewandelen waren.
Veel mocht het niet baten en in 1821 werd de sluis voor alle verkeer
afgesloten. Na de hereniging van Zuid- en NoordNederland in 1815
werd gewerkt aan een kanaal tussen Gent en Terneuzen. Ook Axel en
Hulst zagen hierin mogelijkheden om opnieuw een goede
scheepvaartverbinding te krijgen en wel via een zijtak van dat
kanaal. Net als Hulst was ook Axel haar directe verbinding in 1789
verloren en moest het doen met een schutsluis bij de Axelse Sassing
en vandaar door de Axelse kreek.
Tot de Derde Verkorting zou het trekpad langs de noordzijde komen en
daarna langs de zuidzijde van het kanaal. We vinden daar nu
asfaltwegen. Men was gevorderd tot voorbij de Hoge Weg (met de
Platte Brug) en de verbinding met de kreken van het Groot Eiland was
gemaakt, toen de Belgische opstand van 1830 roet in het eten gooide.
Alle bruggen werden weggenomen en het kanaal werd een
verdedigingslinie.
Ondanks vele pogingen daartoe - bij voorkeur om de vier jaar als er
verkiezingen voor kamers en staten waren - kreeg Hulst geen haven
meer. De bruggen werden pas vele jaren later hersteld.
Het kanaal werd opgenomen in de afwatering en het gedeelte in Axel,
de huidige Kanaalkade, werd gedempt. Op de kaden werden jonge olmen
aangeplant. Nog tot in de jaren zestig kon men dankzij die olmen -
ondertussen tot formidabele proporties uitgegroeid - het kanaal al
van verre als een lint in het landschap herkennen. Tegen de
iepenziekte waren deze reuzen evenwel niet bestand en hun gelederen
dunden sindsdien elk jaar verder uit. Het kanaal bleef liggen, zij
het minder goed zichtbaar.
Voor de afwatering heeft het maar een beperkte functie. Ondanks dat
het kanaal naar onze huidige maatstaven niet veel voorstelt, bleek
het een formidabele hindernis te zijn voor de geallieerde troepen
die de streek aan het eind van de Tweede Wereldoorlog kwamen
bevrijden. Het Poolse Kruis tussen de Eerste en Tweede Verkorting
herinnert aan de vele gevallenen. Thans is het zijkanaal een mooie
en gemakkelijke leidraad voor een fietstocht.
De bedijking
van de Mosselbanken
Foto: Muraltmuurtje langs de Braakman
in de Lovenpolder. (fotografie: Wim Kooyman)
In
1375 en volgende jaren verdween een groot deel van
Midden-Zeeuws-Vlaanderen door stormvloeden in het water.
Zie ook: Omrijden is verleden tijd De inham die tussen Biervliet en
Neuzen ontstond werd Braakman of Dullaert genoemd. Dat laatste omdat
het water er verschrikkelijk te keer kon gaan. Er was een
kilometerslange dijk nodig om al dat watergeweld een beetje in toom
te houden. Toen die in 1488 doorbrak en het water zowat al het land
tot aan Axel opruimde, moest er meer naar het oosten een nieuwe dijk
gelegd worden die in 1492 gereed was.
We kennen die thans als de Graafjansdijk. Die vormt de ruggengraat
waarlangs Westdorpe - eigenlijk Nieuw-Westdorpe, want het oude lag
in het overstroomde gebied- gebouwd werd. Verderop liggen op de
flanken ervan nog buurtschappen als Schapenbout en Driewegen ('t
Naaikussen). Voor die dijken vond schorvorming plaats. Daaruit
werden al in 1504 de Sint-Jans- en in 1520 de Nicasiuspolder bij
Boekhoute bedijkt. Op het huidige Nederlandse grondgebied was de
polder Stad Philippine in 1505 de eerste.
Allengs werd het land heroverd en de Dullaert getemd.
We gaan niet alle polders opnoemen die er gewonnen werden, maar de
aan het dorp Hoek en de Braakman grenzende Loven- en Koudepolder
werden bedijkt in respectievelijk 1542 en 1545. De Angelinapolder
ten zuiden van Biervliet werd in 1847 als een eiland bedijkt. Die
opwas werd ook wel Savoyaard genoemd.
Het verhaal wil dat twee Savoyaarden-inwoners van Savoie, een
landstreek in Frankrijk tegen de Italiaanse grens daar, verdronken
zijn. Het waren bedelaars die de Biervlietse kermis bezocht hadden
en die de Braakman over wilden steken. Ze werden door het opkomende
water verrast en ze verdronken. Het verhaal schijnt waar te zijn,
alleen de plaats niet, die lag veel noordelijker waar later de
afsluitdijk zou komen te liggen.
Aan de kant van Philippine werd in 1866, ook als een eiland, de
Kleine Stellepolder bedijkt. Door inpoldering van de Grote en de
Kleine Isabellapolder in 1794 werd het water zover teruggedrongen
dat er op Nederlands grondgebied een verbinding over land ontstond
tussen het Vierde en het Vijfde District, tussen West- en
Oost-Zeeuws-Vlaanderen. Ook in de 20e eeuw ging de bedijking door.
We noemen slechts de Van Dunnépolder bij Isabellasluis uit 1907 en
de Dijckmeesterpolder ten westen van Philippine in 1920.
Toen kwam het laatste gedeelte aan de beurt, het schorren- en
slikkengebied dat nu Braakmanpolder heet. Het betekende voor de
vissers van Philippine en Boekhoute dat daarmee hun open verbinding
met de Westerschelde verloren zou gaan.
Met de belangen van vissers werd echter zelden rekening gehouden,
het winnen van landbouwgrond had bijna altijd prioriteit.
Het bedijken zat ons nu eenmaal in het bloed en ook al was de
landbouwkundige kwaliteit van het gebied niet zo erg hoog, veroverd
moest er worden. In 1952 kreeg dat zijn beslag.
Zou de Braakman er nu nog liggen zoals voor 1952, dan was de kans
dat hij ingepolderd zou worden heel erg klein. Maar toen lagen de
kaarten nog anders. De afsluitdijk kreeg de naam Wevelswaaldijk,
naar de voormalige parochie Wevelswale die in die omgeving gelegen
had. Ze werd in 1228 genoemd, maar is in 1375/76 ten onder gegaan.
Achteraf gezien bleek de beslissing om te bedijken een gelukkige
keuze geweest te zijn. De totale lengte van de zeedijk werd ruim
tien keer korter: van 28 naar 2,7 kilometer. Zeedijken die eigenlijk
te laag waren.
Die van de Lovenpolder was in de jaren dertig van de vorige eeuw al
verhoogd volgens het systeem De Muralt: een betonnen muur op de
kruin van de dijk. Ze staat er nog en inmiddels zijn 'de muurtjes',
zoals ze altijd genoemd worden, tot monument verheven.
Hoe hoog of liever hoe laag de toenmalige zeedijken waren, kan ieder
zelf zien die de weg van Hoek naar Biervliet berijdt: die is er niet
doorheen gelegd zoals vaak gebruikelijk was, maar er over heen. Een
gelukkige beslissing?
In 1953 was er de bekende stormvloed die de 1-februariramp
veroorzaakte. De oude dijken hadden die vloed nooit kunnen keren. De
verwoestingen in de polders rondom en vooral in het aangrenzende
Vlaamse achterland zouden verschrikkelijk zijn geweest.
Na de bedijking van de Braakman bleef er ten noorden van de
Wevelswaaldijk een schorrengebied over, de Mosselbanken. Rijk aan
vogels met kolonies van kokmeeuw en visdief, met vele paren van de
scholekster en de tureluur, met pleviertjes en ander klein grut dat
de schorren bewoont.
Inmiddels had zich sedert 1964 het chemiebedrijf Dow Chemical
Nederland in de aan de Mosselbanken grenzende Nieuw-Neuzenpolder
gevestigd. De provincie, met name gedeputeerde Kaland en consorten,
had in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw megalomane
industrialisatieplannen.
Ze hoopte dat Dow nog eens om uitbreidingsmogelijkheden in
westelijke richting zou vragen. De Mosselbanken moesten hoe dan ook
bedijkt worden. Het bestuur van waterschap De Verenigde
Braakmanpolders werd opgestookt een concessie aan te vragen. Dat
gebeurde op 4 maart 1969.
Van alle kanten werd bezwaar aangetekend. Waaronder het Comité
Mosselbanken, de natuurbeschermingsorganisaties, de Gewestelijke
Raad van Zeeland van het Landbouwschap, de Industriewatervoorziening
Zeeuws-Vlaanderen, de ANWB, waterschap Het Vrije van Sluis,
Visserijbelangen, Recreatieschap De Braakman, het college van B en W
van Oostburg, tal van particuliere ondernemers en 5536 personen die
het bezwaarschrift van het Comité Mosselbanken ondersteunden.
Het mocht niet baten. Op 23 oktober 1975 viel het besluit: 'Wij,
Juliana, enzovoort … verlenen concessie voor het ondernemen van een
indijking van schorren en slikken, gelegen ten noorden van de
Braakmanpolder in de gemeente Terneuzen ten behoeve van het
verkrijgen van een industrieterrein voor Dow Chemical (Nederland)
b.v. te Terneuzen.'
Let wel, het was de provincie die de bedijking wilde, Dow heeft er
nooit om gevraagd en het heeft van de 130 hectare grote polder ook
nauwelijks of geen gebruik gemaakt. Uiterlijk twee jaar na het
verlenen van de concessie moest er met het werk begonnen zijn en
vier jaar daarna diende het voltooid te zijn. In 1977 was de
bedijking een feit.
Een zeesluis
uit 1977
Foto: Sluis in de Hellegatpolder. (fotografie:
Wim Kooyman)
De
wordingsgeschiedenis van Zeeuws-Vlaanderen is een aaneenschakeling
van winnen en verliezen, van prijsgeven en heroveren.
Dat geldt overigens niet alleen voor Zeeuws-Vlaanderen, maar dat is
een ander paar mouwen. Wat er in een ver verleden allemaal is
gebeurd, laten we buiten beschouwing en zelfs de eerste duizend jaar
van onze jaartelling slaan we over, ook al is er in die periode ook
sprake van winst en verlies. We bedoelen maar te zeggen dat het
allerminst een rustige en stabiele periode is geweest.
In het begin van de tien eeuwen die volgden, werd er veel bedijkt,
maar regelmatig ging er ook weer veel polderland verloren. Het jaar
1375 is zo'n beetje de trendsetter. Ten oosten van Biervliet begon
de Braakman zich uit te breiden zowel naar het westen, als naar het
oosten en het zuiden. Al het land rond Biervliet werd weggeslagen.
Het stadje kon zich, omdat het op een iets hogere zandrug ligt, met
moeite op een eiland handhaven. Assenede, nu toch redelijk ver
landinwaarts en Boekhoute hadden vlakbij het dorp hun haventjes.
Heel het gebeuren was vooral te wijten
aan natuurgeweld, maar wel geholpen door menselijk toedoen. Niet met
opzet evenwel. Landinwaarts waren de in een vroegere periode
afgezette veenlagen afgegraven om de turf te gebruiken als brandstof
of om er zout uit te winnen. Het valt te begrijpen dat dergelijke
laaggelegen gebieden gemakkelijk vollopen als de 'zee' eenmaal een
gaatje heeft gevonden om binnen te dringen.
In het begin van de vijftiende eeuw teisterden drie zware
stormvloeden onze streken. De eerste was op 19 november 1404, de
tweede op 18 of 19 november 1421 en de derde op 18 november 1424.
Bij geen van de drie bleven het huidige Zeeuws-Vlaanderen en het
Vlaamse achterland gespaard, zij het de ene keer meer dan de andere.
Omdat ze alle drie op of rond de feestdag van de heilige Elisabeth
van Hongarije of Thüringen vallen, staan ze bekend als de
Sint-Elisabethsvloeden.
Door overstromingen in 1508, 1509 en 1511 moest (Oud-)Hontenisse
worden prijsgegeven. Het ligt sedertdien in de Westerschelde voor de
Kruispolder. In 1570 krijgt de heerlijkheid Saeftinghe zware klappen
en in 1584-1586 komt het tegenwoordige Oost-Zeeuws-Vlaanderen voor
meer dan de helft met de zee gemeen te liggen. Dit keer was het
mensenwerk: Zeeuwse en Hollandse troepen die zich na de verovering
van Antwerpen door de Spanjaarden moesten terugtrekken, dekten hun
aftocht door het land achter zich onder water te zetten. En
misschien deden ze ook maar enkel en alleen om de vijand schade toe
te brengen.
Maar laten we maar naar wat recenter tijden gaan, alhoewel: wat is
recent?
Laat ons een plek zoeken waar nog sporen van de strijd te zien zijn.
Het tussen 1584 en 1586 verloren gegane gebied ten noorden van Axel
werd polder na polder teruggewonnen. Zo bijvoorbeeld in 1742 de
Margarethapolder tussen de buurtschappen De Griete en Othene. De
greep was echter te groot geweest en de zeedijk lag op 'de kwaoie
kant': aan de kant van de westenwinden.
Bovendien verlegde de stroomdraad in de Westerschelde zich in de
richting van de dijk. In 1775 ontstond er zware schade. Om erger te
voorkomen werd een inlaagdijk gelegd: een waker een eindje van de
eerste waterkering vandaan. De inlaag kwam in 1800 onder water te
staan en in 1802 moest ze worden prijsgegeven. De inlaagdijk werd de
nieuwe zeedijk. Voor de zekerheid werd halverwege de polder een
nieuwe inlaagdijk gelegd tussen 't Schulpen'oekje en De Val.
Ofschoon die grotendeels is afgegraven is langs de Verkorting (kan
een naam sprekender zijn?) het tracé nog goed te herkennen.
In 1777 kregen de ambachtsheren en -vrouwen van Zaamslag octrooi om
iets meer naar het oosten een schorrengebied ten noorden van de
Groote Huijssenspolder te bedijken. De afwatering van de nieuwe
polder zou geschieden door een zeesluis aan de oostelijke kant. Daar
lag het nog open Hellegat. Ze waren vast erg zeker van hun zaak,
want ze lieten al direct een sluitsteen voor de sluis maken met het
jaartal 1777 erop. De bedijking kwam gereed in 1779 en de polder
kreeg de naam Eendragt. Die steen zit aan de toenmalige landzijde.
Aan de andere kant geeft een streep op de sluitsteen aan dat dat
punt op 2,35 meter boven NAP ligt.
Als gevolg van een stormvloed in de nacht van 14 op 15 januari 1808
overstroomde de polder in zijn geheel, en bij het herstel van de
dijk in hetzelfde jaar moest enig land worden prijsgegeven. Dat is
later, in 1926, opgenomen in de toen bedijkte Hellegatpolder. Omdat
de stroomgeul in het Hellegat erg dicht bij de dijk lag, nam men het
zekere voor het onzekere en in 1813 werd er een inlaagdijk gelegd.
Daardoor ontstonden ogenschijnlijk twee polders: de Grote en de
Kleine Eendragt. Ze zijn immers gescheiden door een dijk. Een dijk
die nu een deel is van de Kampersedijk, maar in de volksmond bekend
stond (en staat?) als de Franse dijk. Is hier een Franse aannemer
aan het werk geweest of is het gebeurd door Franse militairen?
Krijgsgevangenen misschien, die na de verloren slag bij Waterloo aan
het werk gezet werden?
De plaats waar ze de grond ervoor haalden is nog altijd herkenbaar
als en karrenveldje tegen de scheidingsdijk met de Hellegatpolder,
de vroegere zeedijk dus.
Duintjes in het relatief vlakke
Zeeuws-Vlaanderen
Foto: Zandheuveltjes tussen Heikant en
Koewacht (fotografie: Peter Nicolai).
Op
weg van Heikant naar Koewacht vinden we vlakbij Sint Andries een
tweetal met dennen begroeide zandheuveltjes naast de weg.
Het is een landschapstype dat voor ons gevoel helemaal niet
thuishoort in het relatief vlakke Zeeuws-Vlaamse polderland. Met
dennenbossen begroeide heuvels associëren we immers met provincies
als Noord-Brabant, Utrecht en Gelderland. Veel stelt het overigens
niet voor – al met al een 3200 vierkante meter - maar er zit wel een
hele historie aan die heuveltjes vast. Het zijn niet zomaar een paar
zandhopen van bij wegwerkzaamheden of op andere wijze vrijgekomen
grond. Ook die liggen er, maar deze behoren tot het ernaast gelegen
tuincentrum.
Al in het begin van de achttiende eeuw vielen deze hobbels de
toenmalige bewoners op. Er is een kaart van omstreeks 1718 van de
Wildelandenpolder waarop we ter plaatse de aanduiding 'De heuvels
genaamd' vinden. Ook toen in de jaren dertig van de vorige eeuw ter
plaatse een nieuw wegvak moest komen in de verbinding Heikant naar
Koewacht, trokken de zandhopen de aandacht van de toenmalige
districtsingenieur van Zeeuws-Vlaanderen in dienst bij de provincie.
Hij vermoedde dat het wel eens een geologisch en/of historisch
belangwekkend hoekje kon wezen en vatte het plan op om ze voor het
nageslacht te bewaren. Het lapje grond met de heuveltjes werd
aangekocht als een overhoekje. Om te voorkomen dat iemand op de
gedachte zou komen ze af te graven om het zand te verkopen, legaal
dan wel illegaal, werd in het bestek een beplanting met dennen
voorzien. Dat is gebeurd en een aantal van die dennen staat er nog
steeds.
Wellicht is het daaraan te danken dat dit hoekje de wegverbeteringen
van 1976 en die van enkele jaren geleden overleefde. Het is
ondertussen wel diverse malen van eigenaar veranderd, van provincie
naar de gemeente Axel en daarna naar Staatsbosbeheer.
Wat is er nu zo bijzonder aan die twee zandhopen? Daartoe dienen we
een heel stuk terug te gaan in de ontstaansgeschiedenis van de
streek. Op het eind van de laatste IJstijd werd onder invloed van de
wind een deel van het zand van de Noordzeebodem – die toen dus
grotendeels drooggevallen was – tot in onze contreien geblazen. We
noemen dat dekzand en dat komt in een aantal evenwijdige ruggen in
de grensstrook met België aan het oppervlak.
De weg van Sint-Jansteen naar Koewacht volgt grotendeels de
bovenkant van zo'n dekzandrug, slechts onderbroken door de Boskreek.
We kunnen ons voorstellen dat die
ruggen van nu in het verre verleden te vergelijken waren met de
huidige duinenrijen. Verondersteld wordt dat die twee heuveltjes
restanten zijn van een tweetal kleine duintoppen, dus een stukje
oorspronkelijk en min of meer ongerept dekzand.
Dit maakt deze locatie uniek want overal elders zijn de
dekzandruggen in de loop der tijden vergraven, voor het bedrijven
van akkerbouw of het stichten van bewoningscentra. De meeste stadjes,
dorpen en gehuchten in de grensstrook met België zijn immers
gesticht op de dekzandruggen; hoog en droog bij wijze van spreken.
Er is nog een optie. Op het eind van de zestiende eeuw werden op
enkele plaatsen de Westerscheldedijken doorgestoken en kwam
praktisch de hele streek onder water te staan. Geulen ontstonden en
ook de dekzandruggen werden door het binnenstromende zeewater
aangevallen. Hierbij is de Boskreek ontstaan.
Door het zoute water stierf overal de vegetatie en de wind kreeg een
poosje vrij spel. Op die manier kunnen nabij die doorbraakkreek
nieuwe windduinen zijn ontstaan, waarvan die twee heuveltjes de
laatst overgebleven restanten zijn. Kortom we weten het dus niet,
maar ze liggen er wel en ze liggen er al lang.
Ondanks dat we dus niet de oorsprong kennen, hebben ze al lange tijd
de mensen gefascineerd en zijn dus zeker de moeite waard om hen
verder te behouden. Ook landschappelijk vormen ze een fraai element,
een enigszins afwijkende noot.
Een dikke vijfentwintig jaar geleden werd eens de moeite genomen
deze duintjes op planten te inventariseren. In die tijd zagen ze er
heel wat anders uit dan nu het geval is. Behalve de tooi met de
aangeplante dennen waren ze vrijwel geheel begroeid met diverse
grassoorten waaronder gladde witbol, kenmerkend voor wat droger
terrein.
De kant naar de polder toe was meer begroeid met struikgewas maar
vanaf de weg was daar niet veel van te zien. Het was in die tijd
goed te zien dat het hier een paar duintjes betrof. Thans is dat een
stuk minder als gevolg van enkele drastische ingrepen, bijvoorbeeld
het doodspuiten van alle vegetatie een flinke poos geleden.
Eufemistisch werd het een beheersmaatregel genoemd, maar in feite
was het een wandaad.
Hiervan heeft de oorspronkelijke
grasbegroeiing zich nooit meer hersteld. Een dichte struiklaag is
ervoor in de plaats gekomen die uiteraard – hoe kan het ook anders –
het storten van tuinafval en ook andersoortig afval aantrekt.
Plannen zijn er genoeg voor dit hoekje
waaronder opname in een fietsroute. Dat laatste zal spoedig het
einde betekenen voor dit relict, al was het maar door de
veroorzaakte erosie. Maar een bankje, een afvalemmer en een degelijk
informatiebord moet toch kunnen. De terugkeer van de oorspronkelijke
grasmat zou mooi wezen maar is waarschijnlijk een utopie. Sommige in
gang gezette processen zijn immers vrijwel onomkeerbaar.
Herinneringen aan de
boerenboomgaard
Foto: Oude fruitbomen met schapen in
Zaamslag. (fotografie: Wim Kooyman)
Als
het blad bezig is te vallen, komen de herinneringen aan de tijd dat
bij iedere boerderij een boomgaard was weer boven.
En aan het 'bogaorden' natuurlijk,
vlug even door de heg of onder het prikkeldraad door glippen en
jezelf deelgenoot maken van al die rijkdommen. Of aan het helpen bij
het binnenhalen van heel die weelde.
Het was trouwens niet bij de boerderijen alleen. Ieder die over de
ruimte beschikte, had een boom met winterperen. In het Land van
Hulst noemden ze die meestal (en ook daarbuiten?) 'n'n braokerbôôm,
ne pjèreljèr mee braokers d'rao''. De officiële naam is Saint Remy,
een harde, roodkokende peer die tot mei van het jaar daarop bewaard
kan worden. Mits geplukt natuurlijk, geen 'raopelingen' (valfruit).
Daarom moesten de vruchten van de bomen zijn eer de echte
herfststormen veel schade konden aanrichten.
Ook een uitstekende winterpeer, kleiner dan de Saint Remy en veel
harder, was een ras dat terecht de naam steenpeer gekregen had. De
echte naam ervan hebben we nooit kunnen achterhalen. Vermoedelijk
was het de kleipeer of de winterjan. Tot maart was (is?) die
houdbaar. Aanvankelijk, net als de winterappels, uitgespreid op oude
kranten op de zolder. Later bewaard in stapelbare aardappelkistjes,
luchtig, gemaakt van latjes. Die winterappels waren meestal
goudrenetten. Welke? Schone van Boskoop?
Er zijn veel variëteiten en het was zowat het enige ras dat door
iedereen goudrenet genoemd werd. Veelal hadden de rassen streeknamen
als strepelingen, kattenkoppen. Zonder zo'n appel in de hand is het
niet of nauwelijks vast te stellen wat de echte naam was. Dikwijls
was het nog erger, dan werd er zelfs geen streeknaam gebruikt, maar
een die van boerderij tot boerderij verschilde. Zoals 'zure appels
van achter de schuur' of de 'zoet' appelkes van aon't oenderskot'.
Daar kwam nog bij dat veel rassen een regionale verspreiding kenden.
Dat was voor een deel afhankelijk van de grondsoort. Op zand of veen
kun je niet altijd hetzelfde telen als op klei, maar ook was de
uitwisseling veel minder. Rassen die in Groningen gemeengoed waren,
trof je in Zeeland nagenoeg nooit aan.
Over zoete appels gesproken: tal van rassen daarvan lenen zich
uitstekend om te drogen. Geschild, het klokhuis eruit en dan op
dunne ringen gesneden. Op kranten of een zeef op de bakoven als die
nog warm was. In later tijden, toen de oven niet meer gestookt werd,
nam de bakker ze wel mee om ze naderhand gedroogd weer af te leveren.
Niet alleen zoete appels waren daar geschikt voor, ook zure. Zijn
die trouwens nog niet altijd te koop, puur als gedroogde schijfjes
of in stukjes in mengsels als tutti frutti of muesli?
Ja, de herfst was natuurlijk ook de tijd van de noten, de wal- of
okkernoten. Die ontbraken toch in geen enkele boomgaard en bij veel
dijkhuisjes stond er heel vaak een, meestal net op het randje van de
slootkant. Dikwijls vlak bij de achterdeur en dat was dan ook weer
niet helemaal toevallig.
Notenbomen hebben de naam insecten te weren, zij houden vliegen en
muggen en dergelijke uit huis. Zelden zijn de bladeren van een
notenboom aangetast door allerlei gedierte. Dat komt waarschijnlijk
door zijn uitheemse oorsprong. De oude Grieken zijn met het
cultiveren van deze soort begonnen, de Romeinen hebben ze naar onze
streken gebracht.
De beste manier om noten te vermenigvuldigen was door zaailingen.
Dat houdt in dat geen boom gelijk is aan een andere. Elke boom heeft
zijn eigen genenpatroon en daardoor zijn eigen kenmerken. Let wel,
zo ging het in het verleden, tegenwoordig worden ze wel vermeerderd
op vegetatieve manier als door enten. Dan zijn ze wel genetisch
gelijk en ze hebben allemaal dezelfde eigenschappen.
Was het bij appels en peren zaak de herfststormen voor te zijn, bij
noten zou je denken: wat geeft het of ze spontaan vallen, die kunnen
wel tegen een stootje. En je kunt er honderd procent zeker van zijn
dat ze zullen vallen. Toch moesten ze geknuppeld worden. Flinke
knuppels of 'fassêêlen' in de boom gooien om de noten eraf te
krijgen. Goed beschouwd een zinloze bezigheid, de natuur zorgt er
immers zelf wel voor dat er noten geraapt kunnen worden.
Waarom dan? En waarom bestaat de uitdrukking 'n'n notenbôôm en een
vrommens moeten geknippeld ôôren?' Dat laatste schijnt wat in
onbruik geraakt te zijn, zegt men, maar noten worden nog vaak
geknuppeld.
Waarom? Wij hebben er nooit een
verklaring voor gehoord dat het een vorm van enig bijgeloof zou zijn.
Een wat wetenschappelijkachtiger uitleg zou kunnen zijn, zegt men,
dat door het knuppelen de boom beschadigd wordt. In het daarop
volgende voorjaar zou dat, om de wonden te genezen, leiden tot een
sterkere sapstroom en dat zou de vruchtzetting ten goede komen.
Of het zo is? Stonden in de oude boomgaard, meestal vlak bij de
sloot, niet altijd een of meer kweeperenstruiken? Gele, donzig
behaarde forse vruchten en steenhard. Om als groente bij de
aardappels te eten niet zo'n succes, maar de gelei ervan is
glashelder als de tot moes gekookte vruchten door een doek gezeefd
worden. Zelfs iemand die niet zo van zoet beleg houdt, kan er
nauwelijks afblijven.
Eind oktober, begin november is ook de oogsttijd van de mispels,
mupsels in de volksmond. Zo mogelijk eerst een of twee keren de
nachtvorst over de vruchten, dan plukken en ze laten 'rotten'. Er is
ook een goede gelei van te maken, maar er gaat weinig boven zo uit
het handje. Tenminste wat de producten uit de (oude) boerenboomgaard
betreft. Dat rotten vroeg, ook als ze door de vorst geraakt waren,
enige tijd. De natuur kon een handje geholpen worden door ze in een
mouternist te mouteren.
Het aanrijpen van mispels, maar ook van appels en, als ze niet een
of twee nachtvorstjes meegemaakt hadden, de vrij wrange vruchten van
de sleedoorn (plaatselijk zwart'n doorn genoemd), kon versneld
worden door ze te mouteren.
Dat gebeurde in een mouternist, een warm plekje in het hooi. In de
hooitas een kuiltje maken en daar de vruchten in leggen. Of in een
kist met hooi, dat is ook een manier. Dan gaat het zo'n beetje de
kant op van de hooikist. Dat was een grote houten kist gevuld met
hooi, papier of dekens, waarin pannen gezet werden om spijzen warm
te houden of te laten garen. In een mouternist gebeurde hetzelfde al
hadden de koude vruchten natuurlijk een wat langere tijd nodig dan
warm voedsel. Het aanleggen van een mouternist is een wijdverbreid
gebruik, maar op Zuid-Beveland spreekt men niet van mouteren maar
van muken of meuken. 'Leit die prumen mè te meuken, ze bin nog nie
riepe', aldus het Woordenboek der Zeeuwse Dialecten.
Het ontstaan van de polders rond
Zandberg
Foto: De Steenen Beer bij Zandberg (fotografie:
Wim Kooyman)
In
1583 vielen de Noord-Nederlandse of Staatse troepen het tot het
koninkrijk Spanje behorende graafschap Vlaanderen binnen.
Wat nu Zeeuws-Vlaanderen is, maakte daar deel van uit. Ze vestigden
een bruggenhoofd bij Terneuzen.
Drie jaar laten namen ze Axel in en ze begonnen daarmee een steeds
grotere dreiging te vormen voor stad en Land van Hulst. Reden om
rond de vestingstad versterkingen aan te leggen. Dat gebeurde dan
ook hetzelfde jaar nog.
In het ondergelopen gebied ten oosten van de stad werden de forten
De Raepe of De Rape en Zandberg aangelegd. Zandberg ligt bij de
gelijknamige buurtschap en is nog altijd goed als fort herkenbaar.
De Rape ligt een kleine vierhonderd meter de kant van Hulst op, daar
waar de Kijkuitstraat de Liniedijk doorsnijdt. Veel is er niet meer
van te zien.
De inspanningen waren tevergeefs. In 1591 wist prins Maurits Hulst
in te nemen en tussen De Rape en de stad liet hij het Fort
Moerschans aanleggen. Dat is nog altijd als zodanig goed herkenbaar.
Ook liet hij een begin maken met een linie van communicatie, tussen
de stad en de drie forten. Een laag dijkje met een bedekte -enigszins
beschutte- weg erlangs. Pas een echte linie'dijk' werd het toen in
1619 de polder Langendam werd bedijkt.
De verbindingsweg tussen de forten werd nu een zeewerende dijk, wel
voorzien van talrijke redoutes: driehoekige bolwerkjes aan de zoute
kant.
Het gebied ten oosten ervan stond sinds 1585, toen de zeedijken van
de Saeftinghepolders werden doorgestoken, in open verbinding met de
Westerschelde. Tot aan de hoger gelegen zandgronden bij Beveren
stond nagenoeg het hele gebied onder invloed van het getij.
In het zuidelijk gedeelte werd
weliswaar in 1616 de Clingepolder bedijkt, de rest moest voorlopig
blijven zoals die was. Een geïnundeerd gebied is toch meestal
moeilijker in te nemen dan droog polderland. Na de Vrede van Münster
in 1648 leek de oorlogsdreiging wat minder te worden en er mocht
weer bedijkt worden: in 1654 de Grote en de Kleine Kieldrechtpolder.
In de eerste ligt de weg tussen Clinge en Nieuw-Namen.
Pas in 1784 mocht het gebied grenzend aan fort Zandberg bedijkt
worden. De polder kreeg de naam Nieuw-Kieldrecht. Door die bedijking
zou het echter niet meer mogelijk zijn het gebied ten oosten van de
Liniedijk te inunderen en kon Hulst niet meer door een waterlinie
beschermd worden.
Bedijken mocht dan wel, bouwen van een sluis waarlangs de
ontwatering kon plaatsvinden ook, maar, die moest zo gebouwd worden
dat er ook water ingelaten kon worden. Behalve afwateringssluis
moest het ook een inundatiesluis zijn. Om een groter gebied dan
alleen de Nieuw-Kieldrechtpolder onder water te zetten, werd het
jaar daarop de dijk met de Kleine Kieldrecht weg gegraven. Die begon
bij fort Zandberg en liep in nagenoeg zuidelijke richting.
De Grote Kieldrecht was al in het begin van 1700 niet meer
gescheiden van de Clingepolder, omdat de tussendijk verwaarloosd
was. Het was dus mogelijk vanaf de inundatiesluis een gebied tot
tegen de wallen van Hulst onder water te zetten.
De Duitsers hebben daar tijdens de Tweede Wereldoorlog nog gebruik
van gemaakt. Wie nu vanaf de dijk bij Zandberg richting Clinge kijkt,
ziet één grote polder. In werkelijkheid zijn het er vier.
Om nog even op de zeesluis tevens inundatiesluis terug te komen: als
de vijand er zich tijdig meester van weet te maken, lig je eruit.
Daarom wordt zo'n kunstwerk altijd beveiligd met een fort. Daar is
dat het Boerenmagazijn. Voor een deel is het afgegraven, maar in het
hoekige verloop van de dijken is er nog wat van te herkennen. Als de
vijand dan ook nog zo vanaf de aansluitende dijk naar de sluis kan
wandelen, maak je het hem wel erg gemakkelijk. Daarom de dijk een
eindje voor de sluis laten eindigen en in de open ruimte een stenen
beer bouwen.
Een hoge stevige, doch niet al te
brede muur, van boven daksgewijs eindigend, een zogenaamde ezelsrug.
Om daar ongemerkt overheen te komen is niet eenvoudig. De beer is er
nog, maar om de weg door te laten lopen is er een dijk tegenaan
gelegd.
Na de bedijking van de Van
Alsteinpolder in 1852 werd de sluis overbodig en dichtgegooid. Aan
het eind van de vorige eeuw werd ze ontgraven en gerestaureerd, een
project dat in 2000 kon worden afgesloten.
In de mogelijk te inunderen polders
mocht aanvankelijk niet gebouwd worden. Ze moesten echter wel
beboerd worden, temeer daar de getijden er een één tot 1.20 meter
dik kleipakket op hadden afgezet. De exploitatie van ongeveer 60
hectare bouwland in de Nieuw-Kieldrechtpolder vond plaats vanaf een
hoeve in Zandberg.
Op de boerderij van D'Haens aan de
Standertmolenstraat stond een schuur met aan de overzijde van de weg
het woonhuis. De schuur brandde in 1921 af. De eerste boerderij in
de 'nieuwe' polder werd gebouwd in 1914: die van C. van der Ha. In
1921 volgde die van A. van der Ha en pas in 1948 die van P. van
Mullem.
De boerderij van D'Haens staat in de
Willem-Hendrikspolder die met de Klein-Kieldrecht één waterschap
vormde. De Willem-Hendriks is een herdijking binnen het gebied dat
de abdij Ter Doest uit Lissewege had nabij Graauw en in de
heerlijkheid Saeftinghe.
In 1585 werden na de Val van Antwerpen
de dijken doorgestoken. Die bedijking gebeurde in 1645 en kreeg de
naam 'Nieuwe Grauw'. In 1682 echter braken de dijken door.
Het Groot en het Klein Gat -dat
laatste is tijdens een ruilverkaveling gedempt- en het meest
zuidelijke deel van de Graauwse Kreek bij Zandberg zijn daarvan nog
de zichtbare tekenen. De herdijking werd snel aangepakt,al in 1687.
Van die gelegenheid werd gebruik
gemaakt om de nieuwe dijk meer naar het oosten te leggen, zodat er
ruim 130 hectare land bijgewonnen werd. De benodigde specie voor de
dijk haalde men van de oude dijk, die westelijk langs de huidige
Graauwse Kreek lag en uit wat laaggelegen weilanden daar tussen
Zandberg en Graauw.
Wat overbleef was de Graauwse Kreek,
een die dus gemaakt is door mensenhanden.
Meestal is het de natuur die
dergelijke landschappelijke elementen creëert. Hetzij als
overblijfsel van een geul na de bedijking van een stuk schor, dan
wel na een dijkdoorbraak. Die kan veroorzaakt zijn door een
stormvloed of -indirect dus ook mensenwerk- na het doorsteken van de
dijken.
Met dank aan J.
d'Haens te Graauw.
|
 |
|
Onze
voordelen:
|
1 |
Doeltreffend |
|
2 |
Opvallend |
|
3 |
Optimaal
bereik lokaal/regionaal |
|
4 |
Uiterst
betaalbaar |
|
5 |
Losse (ongesealde)
huis-aan-huis verspreiding |
|
6 |
Combinatie van
opvallende huis-aan-huis verspreiding met online vermelding op drukbezochte RegioPortal. |
|
7 |
Gratis opmaak
van uw advertentie |
|
8 |
Mogelijkheid
tot doorplaatsing online advertentie op
meerdere websites in Nederland en België |
|
9 |
Max. 8
adverteerders per verspreiding |
|
10 |
Unieke hoge
attentiewaarde |
Bel:
0115 - 531 291 |
|
Wilt u doeltreffend, opvallend en
betaalbaar uw doelgroep bereiken?
En heeft u genoeg van die dure
advertenties in de krant?
Dan biedt RegioNetwork u verschillende
mogelijkheden, zowel online als offline.
Online kunt u adverteren op
bijvoorbeeld één of meerdere van onze vele RegioPortals zoals deze. Offline verspreiden wij huis-aan-huis onze LocalFlyer.
Adverteren kan al vanaf 125 euro
waarbij u zowel huis-aan-huis op onze LocalFlyer adverteert
als online op onze RegioPortal(s).
Onze LocalFlyer heeft een extra
hoge attentiewaarde door het maximum aantal adverteerders die
wij toelaten en de opvallende en gestructureerde opmaak.
Voor meer
informatie of een vrijblijvend persoonlijk advies kunt u ons per
e-mail contacteren
Wij informeren u graag over onze
betaalbare reclame mogelijkheden.
Naast het adverteren op onze websites
en LocalFlyer verzorgen wij ook direct mailings,
strooifolders en vele andere reclameproducten. Van A6 formaat tot A4
gevouwen en van 135 gram tot 400 gram papier.
Uiteraard gelden ook hier interessante
prijzen en ontzorgen wij u met een totaaloplossing; van opmaak en
drukken tot aan de verspreiding.
|